“Leuker kunnen we het niet maken.”
De Belastingdienst heeft gelijk; belasting betalen is van alle tijden en niemand vindt het leuk. Maar als je denkt dat de huidige regels ingewikkeld zijn, wees dan blij dat je niet in het Rusland van de 17e eeuw of het Engeland van de 19e eeuw woont.
Vroeger werd je namelijk niet belast op je inkomen, maar op je uiterlijk, je hygiëne of je frisse lucht. Dit zijn 10 historische belastingen die bewijzen dat de geldhonger van de staat geen grenzen kent.
1. De Speelkaartenbelasting

Heb je je ooit afgevraagd waarom de Schoppenaas in een kaartspel vaak veel sierlijker en groter is dan de andere azen? Dat komt door de belastingen.
In Engeland (en later Amerika) werd er belasting geheven op speelkaarten. Om te bewijzen dat de belasting betaald was, werd de bovenste kaart van het pakje (de Schoppenaas) voorzien van een officiële, ingewikkelde stempel van de overheid. Wie kaarten verkocht zonder deze stempel, riskeerde de doodstraf. De traditie van de versierde aas is gebleven, de belasting gelukkig niet.
2. De ‘Lafheidsbelasting’ (Scutage)

In de Middeleeuwen was het simpel: als de koning riep, moest je vechten. Maar in Engeland introduceerde koning Hendrik I een uitweg: “Scutage” (schildgeld).
Ridders en edellieden die geen zin hadden om hun leven te wagen in een modderig veldslag, konden een flinke som geld betalen om thuis te blijven.
Het begon als een manier voor lafaards om onder hun dienst uit te komen, maar latere koningen (zoals Jan zonder Land) misbruikten het door de belasting in vredestijd te heffen, puur om hun schatkist te vullen.
3. De Hoedenbelasting
Tussen 1784 en 1811 moest elke man in Groot-Brittannië die een hoed wilde dragen, daarvoor betalen. Hoe duurder de hoed, hoe hoger de taks.
De overheid dacht slim te zijn: rijke mannen dragen hoeden, dus dit is een belasting op rijkdom. Aan de binnenkant van de hoed moest een stempel zitten als bewijs van betaling. De straf voor het vervalsen van een hoedenstempel? De doodstraf.
Het resultaat was overigens dat de verkoop van hoeden instortte en mannen massaal petten gingen dragen.
4. Zeepbelasting

Wil je een bevolking die stinkt en ziek wordt? Voer dan belasting in op zeep. In Engeland was zeep tot 1835 een luxeproduct door de torenhoge accijnzen.
De belasting was zo hoog dat zeepmakers hun pannen ’s nachts op slot moesten doen door de belastinginspecteur, zodat ze niet stiekem belastingvrij konden produceren.
Het gevolg was dat arme mensen zich nauwelijks wasten en ziektes vrij spel hadden. Toen de belasting eindelijk werd afgeschaft, daalde de sterfte in het land direct.
5. Vrijgezellenbelasting
Al sinds de Romeinse tijd proberen overheden ons liefdesleven te sturen. Keizer Augustus voerde al een belasting in voor mannen die na hun 38ste nog geen vrouw hadden, omdat hij meer soldaten (baby’s) nodig had.
Dit idee kwam vaker terug. In Engeland (1695) moest je betalen als je 25 was en nog geen ring om je vinger had. Zelfs in de moderne tijd bestond het nog: in Argentinië was er rond 1900 een belasting voor vrijgezellen om ze te “motiveren” te trouwen. Het leverde vooral veel schijnhuwelijken op.
6. Pruikenpoeder belasting

In de 18e eeuw liep elke zichzelf respecterende man met een witte pruik. Die pruiken moesten wit en fris blijven met speciaal poeder.
Toen de Britten geld nodig hadden voor de oorlogen tegen Napoleon, belastten ze dit poeder. Het effect was direct en desastreus voor de mode: mannen stopten massaal met het dragen van pruiken om de belasting te ontduiken.
Dit is de directe reden dat het modebeeld rond 1800 veranderde naar het dragen van het eigen, natuurlijke haar (het “kort knippen” van de kosten).
7. De Borstenbelasting (Mulakkaram)
Dit is de meest tragische en bizarre uit de lijst. In de 19e eeuw, in de Indiase staat Kerala, moesten vrouwen uit lagere kasten belasting betalen als ze hun borsten wilden bedekken.
De hoogte van de belasting hing af van de grootte van de borsten. Het was een vernederende manier om het kastensysteem in stand te houden.
De legende gaat dat een vrouw genaamd Nangeli er zo klaar mee was, dat ze haar eigen borsten afsneed en ze op een weegschaal aanbood aan de belastinginner. Ze stierf aan haar verwondingen, maar haar protest leidde wel tot de afschaffing van de wet.
8. De Urinebelasting

“Pecunia non olet” (Geld stinkt niet). Deze beroemde uitspraak komt van de Romeinse keizer Vespasianus.
In het oude Rome werd urine verzameld uit openbare toiletten. Het zat vol ammoniak en was goud waard voor leerlooiers en wasserettes (om toga’s wit te krijgen). Vespasianus zag een gat in de markt en hief belasting op de handel in deze urine.
Toen zijn zoon Titus klaagde dat het vies was om geld te verdienen aan pies, hield Vespasianus een muntje onder zijn neus en sprak de legendarische woorden.
9. Raambelasting
Waarom hebben veel oude panden in Londen of Amsterdam van die dichtgemetselde ramen? Dat is de erfenis van de raambelasting (ingevoerd in 1696).
De redenering was: rijke mensen hebben grote huizen met veel ramen. Dus we belasten het aantal ramen. In de praktijk betekende dit dat huisjesmelkers de ramen van huurkazernes dichtmetselden om kosten te besparen.

De arme huurders zaten in het donker, zonder frisse lucht. Dit leidde tot enorme gezondheidsproblemen (zoals tyfus en cholera). De uitdrukking “Daylight Robbery” komt hier vandaan.
10. De Baardbelasting
Tsaar Peter de Grote van Rusland wilde zijn land moderniseren. Hij vond de lange Russische baarden maar ouderwets; hij wilde dat zijn volk eruitzag als beschaafde West-Europeanen.

In 1698 voerde hij de baardbelasting in. Wilde je je baard houden? Prima, maar dan moest je betalen. Als bewijs van betaling kreeg je een speciale koperen munt met daarop een afbeelding van een baard en de tekst: “De baard is een onnodige last”. Had je een baard maar geen muntje op zak? Dan werd je ter plekke op straat geschoren door de politie.
Ook koning Hendrik VIII van Engeland hief overigens al eerder een belasting op baarden, al was dat meer om zijn eigen kas te spekken.