De wereld verandert razendsnel. Machines, elektriciteit en digitalisering hebben veel beroepen overbodig gemaakt die ooit doodnormaal waren. Wat nu ouderwets klinkt, was vroeger een gerespecteerde manier om de kost te verdienen.
1. Lantaarnopsteker

Voor de komst van elektrische straatverlichting had bijna elke stad een man die elke avond met een lange stok de gaslantaarns aanstak. In de vroege ochtend ging hij dezelfde route om ze weer te doven.
2. IJsdrager

Voordat koelkasten bestonden, werd ijs met de hand aangevoerd. IJsdragers sleepten in de zomer grote blokken natuurijs uit koelhuizen naar winkels, cafés en rijke huizen. Ze droegen leren schorten en dikke handschoenen om het koude werk vol te houden.
3. Porder (Menselijke wekker)

In de tijd zonder wekkers of telefoons was er iemand die je letterlijk wakker kwam maken. Met een stok tikte hij tegen je raam op het afgesproken uur. Vooral in Engeland en Nederland kwamen deze ‘porders’ veel voor bij arbeiders en fabriekswerknemers. We vragen ons wel af wie de Porder dan wakker maakte?
4. Typiste

In de eerste helft van de twintigste eeuw zat elk kantoor vol typistes: vrouwen die brieven en rapporten uitwerkten op ratelende typemachines. Ze moesten foutloos, snel en vaak op dictaat kunnen typen.
Toen computers en tekstverwerkers hun intrede deden, verdween het beroep langzaam.
5. Kolenboer

Verwarming was vroeger letterlijk zwaar werk. Een kolenboer bracht zakken steenkool van schepen en treinen naar huizen en bedrijven. Zwarte gezichten, stoflongen en kapotte ruggen waren deel van het beroep. Met de komst van aardgas in de jaren zestig was het beroep in één generatie verdwenen.
6. Telegrambesteller
Lang voor WhatsApp of e-mail was het telegram de snelste manier om een bericht te versturen. Jongens op de fiets of in uniform bezorgden de vaak korte, dringende teksten: geboorte, dood, oorlog, liefde.
De komst van de telefoon maakte de telegram overbodig. Het beroep verdween, maar de zinnen zonder leestekens en het typische “STOP” bleven iconisch voor een tijd waarin elk woord geld kostte.
7. Trekschuitjager

In de tijd vóór stoom en motoren trokken mensen letterlijk de boot voort. Trekschuitjagers liepen met een touw over hun schouder langs het jaagpad, terwijl ze passagiers of vracht over het water voorttrokken.
Het was zwaar werk, vaak in weer en wind, en meestal voor een karig loon. Toch was het onmisbaar: de trekschuit was eeuwenlang hét vervoermiddel tussen steden als Haarlem, Leiden en Amsterdam.
8. Stronttonnetjesschepper

In de tijd dat er nog geen riolering bestond, haalde de stronttonnetjesschepper elke nacht de inhoud van de tonnetjes onder de wc’s van stedelingen op. De tonnen werden geleegd in karren en afgevoerd buiten de stad, waar de inhoud als mest werd gebruikt.
Het was vies, maar noodzakelijk werk dat de stad leefbaar hield. Toen riolering en waterclosets hun intrede deden, verdween de schepper voorgoed en met hem een van de smerigste, maar belangrijkste beroepen van de 19e eeuw.
9. Letterzetter

Voordat boeken en kranten digitaal werden gemaakt, waren letterzetters de stille ambachtslieden van de drukkunst. Ze stelden teksten samen door losse loden letters één voor één in een raam te plaatsen – een secuur en geduldig karwei. Elk foutje betekende herbeginnen.
De geur van inkt, het ritme van de persen en de zwarte vingers hoorden bij het vak. Met de komst van offsetdruk en computers verdween het ambacht.
10. Scharensliep

De scharensliep was de reizende slijper van messen, scharen en gereedschap. Je hoorde hem al van verre aankomen, fluitend of met een bel, terwijl hij met zijn kar van dorp naar dorp trok. Hij werkte op straat, met een draaiwiel en een vonkenregen van staal.
Zijn komst was altijd een klein evenement: iedereen bracht zijn botte scharen of messen buiten. Met de komst van goedkope massaproductie en elektrische slijpers verdween de scharensliep bijna helemaal.